Één van de belangrijkste bouwstenen van de adaptatieleer
is de wet of liever het principe van de supercompensatie.
Waarschijnlijk kent U het principe dat in elk boek over trainingsleer
uitvoerig in grafieken wordt afgebeeld. Het organisme verkeert
in een evenwichtstoestand en probeert daar, met behulp van verschillende
regulatiemechanismen, in te blijven. Deze evenwichtstoestand noemen
we homeostasis. Door training wordt deze homeostasis bewust verstoord.
Men onderscheidt de volgende fasen: . ·
1. fase van afbraak of vermoeidheid
· 2. fase van opbouw of herstel
· 3. fase van supercompensatie
· 4. fase van energieverlies door supercompensatie
· 5. fase van terugkeer naar oude homeostasis
Er blijven echter een paar vragen
open: volgen alle door de training belaste of uitgeputte systemen
dezelfde lijn? Het antwoord op deze vraag luidt: nee, sommige
systemen, bijvoorbeeld het alactisch anaerobe energieleverantieproces
(ATP en CP) supercompenseren in een tijdsbestek van enkele seconden
tot enkele minuten, terwijl bijvoorbeeld de voorraad spierglycogeen
pas supercompenseert na enkele tientallen uren en zo zijn er
systemen die pas na enkele dagen supercompenseren,
De lijn in bovenstaande grafiek geeft dus niet één
systeem aan maar de som van alle systemen, terug te vinden in
de dagelijkse functionele trainingstoestand van de sporter.
Voor de praktijk is het grote probleem om de volgende zware
of intensieve training in die fase van supercompensatie te plannen.
Zo verschilt het herstel, dus
de tijd van training tot supercompensatie niet alleen van sporter
tot sporter, maar is ook nog eens afhankelijk van de accumulatie
en de wederzijdse beïnvloeding van de voorafgaande trainingen.(1)
Ook zijn er vele, voor de trainer onzichtbare stressoren naast
de dagelijkse training, die het herstel van de voorafgaande
training kunnen beïnvloeden.
Programmeert de trainer de volgende
training te laat, na de supercompensatiefase, dus in fase 5,
dan vindt er op lange termijn geen aanpassing van het organisme
plaats. Dat is de reden waarom éénmaal per week
trainen zinloos is, de volgende training valt dan altijd na
de supercompensatiefase.
Het grote gevaar voor topsporters
is dat de volgende training of in ieder geval de volgende zware
training vóór de supercompensatiefase valt, waardoor
de training gedaan wordt op een moment waarop de sporter nog
niet helemaal hersteld is van de voorafgaande training dus in
fase 2 of soms zelfs in fase 1. Dit kan natuurlijk wel eens
voorkomen, maar in de meeste gevallen leidt dit tot overbelasting,
overtraining of een verhoogde kans op acute of chronische blessures.
Met alle gevolgen van dien.
In onze opinie is dit de grootste
en toch meest gemaakte fout in de training van topsporters.
Overbelasting, overtraining of in ieder geval het niet bereiken
van de topvorm en dus het niet leveren van een potentiële
topprestatie, berust op dit verschijnsel. Dit blijft dan ook
één van de moeilijkste opgaven voor de trainer. |
|
Natuurlijk kunnen intuïtie, vakmanschap en trainerservaring
een belangrijke rol spelen om deze trainingstoestand van dag tot
dag goed te kunnen inschatten, maar het blijft "natte-vinger-werk".
Zeker omdat in vele takken van sport de trainingsbelasting en
trainingsfrequentie de laatste decennia sterk is toegenomen vanwege
de sterke competitie. Bovendien
zijn topsporters vaak zeer gemotiveerd en daarnaast gewend aan
een zekere mate van ongemak in de vorm van vermoeidheid, spierpijn,
enzovoort. Zij zullen de training die op papier staat ook uitvoeren
als ze nog niet helemaal hersteld zijn van de voorafgaande trainingen.
Verder zijn zowel de topsporter als de trainer te vaak slaven
van het opgestelde trainingsprogramma en doen liever een beetje
trainingsarbeid teveel dan een beetje te weinig....."dan
hebben we er tenminste alles aan gedaan...."
Het is natuurlijk theoretisch
mogelijk om de trainingstoestand van dag tot dag te beoordelen
aan de hand van testen maar noemt U mij een test niet één
of meerdere van de volgende belangrijke nadelen kent:
· de test kost inspanning en neemt energie weg voor de
training zelf,
· de sporter moet 100% gemotiveerd zijn voor de test,
anders heeft de uitslag geen waarde voor de beoordeling van
de trainingstoestand,
· de test geeft slechts een éénzijdig beeld
van de complexe trainingstoestand van de sporter,
· de test vraagt afname van bloed,
· de test moet worden uitgevoerd in een laboratorium
en dat kost reistijd,
· de testuitslagen laten te lang op zich wachten,
· de test op zich kost teveel tijd.
Tenminste, tot voor kort …
want nu is er de OmegaWave.
· Het OmegaWave-systeem
klinkt in eerste instantie te goed om waar te zijn, maar de
praktijk leert dat het een onovertroffen stuk gereedschap is
op weg naar de ultieme optimalisering van de training.
· zonder bloed te prikken
· in een korte tijd
· zonder inspanning van de sporter
· zonder een beroep te doen op de motivatie van de sporter
· bij de sportaccomodatie uitgevoerd, een totaalbeeld
geeft van de dagelijkse trainingstoestand van de sporter.
De elementen van dit systeem
zijn oorspronkelijk ontworpen in de voormalige Sovjet-Unie en
nu na vele jaren van ontwikkeling en testen beschikbaar gekomen:
het OmegaWave-systeem.
Het OmegaWave-systeem heeft de volgende eigenschappen :
· het is ontworpen door een team van trainers, artsen,
fysiologen, neuro-wetenschappers en wiskundigen,
· het bestaat uit meerdere soorten tests,
· heeft als grondslag een database van meer dan 10.000
topsporters,
· geeft informatie in de vorm van een expertsysteem.
Het OmegaWave-systeem is een
onovertroffen stuk gereedschap op weg naar de ultieme optimalisering
van de training.
|